De ERK-taalniveaus uitgelegd

Het Europees Referentiekader voor de Talen (ERK) is de internationale standaard om iemands taalvaardigheid in een vreemde taal in te schatten. Het systeem is onderverdeeld in 3 hoofdcategorieën en 6 specifieke niveaus, gebaseerd op vijf vaardigheden: lezen, luisteren, spreken, gesprekken voeren en schrijven.

De zes niveaus van het Europees Referentiekader (ERK) zijn als volgt ingedeeld:

1. Basisgebruiker (A)

  • A1 (Beginner): Je begrijpt en gebruikt zeer eenvoudige zinnen, basisuitdrukkingen en stelt/beantwoordt simpele vragen. Je kunt je langzaam en duidelijk verstaanbaar maken.
  • A2 (Basis): Je begrijpt alledaagse uitdrukkingen en zinnen (bijvoorbeeld over boodschappen, werk en je directe omgeving). Je kunt je redden in eenvoudige, directe situaties.

2. Onafhankelijke gebruiker (B)

  • B1 (Gemiddeld): Je begrijpt de hoofdpunten van duidelijke teksten over bekende onderwerpen. Je redt je in de meeste situaties tijdens reizen en kunt eenvoudige, samenhangende teksten schrijven.
  • B2 (Bovengemiddeld): Je begrijpt de hoofdzaak van complexe en abstracte teksten. Je spreekt zo vloeiend en spontaan met moedertaalsprekers dat het voor beiden soepel verloopt.

3. Vaardige gebruiker (C)

  • C1 (Gevorderd): Je begrijpt een breed scala aan langere, veeleisende teksten. Je kunt je vloeiend en spontaan uitdrukken zonder duidelijk naar woorden te zoeken en gebruikt de taal flexibel voor sociale en zakelijke doeleinden.
  • C2 (Vloeiend/Moedertaalniveau): Je begrijpt moeiteloos alles wat je leest of hoort. Je kunt complexe informatie herformuleren en je drukt je zeer genuanceerd uit, zelfs bij fijnere betekenisverschillen.